Letselschade/overlijden door (medische) fout alternatief genezer

Rechtszaken rondom alternatief genezers

Op 15 december jl. werd door het Gerechtshof Arnhem (Hof Arnhem 15 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5228) een alternatief genezer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden. Inhoudelijk bestaan veel overeenkomsten met de rechtszaak rond het medium Jomanda en Sylvia Millecam (HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4859), waarin de Hoge Raad in 2013 uitspraak deed. Toch komt de rechter in dit geval tot een andere uitkomst. Belangrijke reden voor de afwijkende beslissing lijkt de omstandigheid dat de verdachte in dit geval actief de weg naar het ziekenhuis (de reguliere geneeskunde) ontmoedigde.

Waar ging het om in deze zaak?

Kort samengevat ging het op 15 december over het volgende. Het slachtoffer is in februari 2006 als gevolg van rugklachten via een omweg bij de verdachte in deze zaak terechtgekomen. Laatstgenoemde constateerde een ‘Articaïne-vergiftiging’ als gevolg van een verdoving bij de tandarts. Deze vergiftiging kon volgens verdachte in de reguliere medische zorg niet behandeld worden. Om herstel te bevorderen adviseerde zij het slachtoffer om alle vormen van straling, zoals mobiele telefoons en internet, uit haar omgeving te weren.

Eind 2006 constateert het slachtoffer een knobbeltje in haar borst. Zij wordt daarvoor naar het ziekenhuis verwezen. Op basis van dit onderzoek wordt besloten dat wat weefsel moet worden weggenomen voor nader onderzoek. Het ziekenhuis stelt dat het gezien de omstandigheden verstandig is om meteen het gehele verdachte knobbeltje te verwijderen.

Het slachtoffer keert echter niet terug naar het ziekenhuis. In de daarop volgende jaren ontwikkelt zich een ernstige wond aan de borst. Ook is sprake van uitzaaiingen. In die periode zou verdachte het slachtoffer bovendien actief ontraden hebben om naar het ziekenhuis te gaan. Dit zou haar Articaïne-vergiftiging, onder ander als gevolg van straling, niet ten goede komen. Het slachtoffer overlijdt in 2011.

De zaak komt uiteindelijk voor de rechter. In hoger beroep oordeelt het Hof dat de verdachte haar zorgplicht tegenover het slachtoffer ernstig heeft geschonden. Het Hof veroordeelt de verdachte zoals gezegd tot 4 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, met een proeftijd van twee jaar. Belangrijk is dat volgens het Hof sprake was van een behandelingsovereenkomst (r.o. 4.5.1). Op grond van deze overeenkomst rust op de behandelaar ingevolge art. 7:448 en 7:453 BW een zorgplicht.

Het Hof stelt voorop dat een keuzevrijheid bestaat voor een patiënt (en behandelaar) om gebruik te maken van alternatieve geneeswijzen. Er is tot op zekere hoogte sprake van een zelfbeschikkingsrecht. Die situatie verandert indien een alternatief behandelaar zich begeeft buiten het terrein van zijn/haar eigen kennen en kunnen.  Het Hof verwijt de verdachte kort gezegd dat zij het slachtoffer actief een bezoek aan het ziekenhuis heeft ontraden. Dit terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat voor de behandeling van een gezwel in de borst een team van specialisten vereist is. Door de adviezen en handelingen van verdachte is een risicovolle situatie ontstaan voor de gezondheid van het slachtoffer. Dit risico heeft zich uiteindelijk ook verwezenlijkt nu (mede door deze adviezen) zwaar lichamelijk letsel is ontstaan.

Sylvia Millecam

De zaak hierboven vertoont grote gelijkenissen met de zaak rond Sylvia Millecam (HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4859), waarin de Hoge Raad uitspraak deed in 2013. Ook Millecam zag af van behandelingen voor borstkanker in een ziekenhuis en zocht heil in een alternatieve genezingswijze. Ook in haar geval begaf de genezer zich volgens de Hoge Raad op medisch gebied waarvan zij weinig kennis had en dit leidde volgens de Hoge Raad ook daar tot een risicovolle situatie. Toch was de uitkomst in de zaak Millecam anders: de Hoge Raad kwam daar tot een vrijspraak, mede omdat geen sprake was van (grove) schending van de zorgplicht (r.o. 2.5 HR Millecam).

Wanneer men beide zaken naast elkaar legt, valt op dat hoewel de zaken in eerste instantie op elkaar lijken, zij in ieder geval op één kritiek punt van elkaar verschillen. Belangrijke overweging in de zaak Millecam was het feit dat de alternatief genezer de weg de gang naar de reguliere zorg nooit heeft ontmoedigd (r.o. 2.4.7 HR Millecam). Het lijkt dan ook vooral dit gezichtspunt dat in de zaak van 15 december jl. de basis vormt voor het aannemen van een schending van de zorgplicht.

Een kritische (en ietwat verdiepende) noot

De vraag naar schending van de zorgplicht moet onderscheiden worden van de vraag of in het strafproces sprake is van een vorm van opzet of schuld met betrekking tot het letsel/het overlijden. Juridisch is het onderscheid tussen opzet en schuld in dit soort zaken belangrijk, omdat volgens de wet in geval van opzet vaak zwaardere straffen kunnen  worden opgelegd. De vraag of sprake is van opzet of schuld kan bijvoorbeeld bepalend zijn bij het oordeel of sprake is van zware mishandeling met de dood ten gevolg (art. 302 lid 2 Sr, maximaal 10 jaar gevangenisstraf) of van dood door schuld (art. 307 Sr, maximaal 2 jaar gevangenisstraf).

Schending van een zorgplicht betekent dus niet altijd automatisch dat strafrechtelijk sprake is van schuld of zelfs opzet.  In de zaak Millecam heeft het niet schenden van de zorgplicht wel een grote rol gespeeld in de ontkennende beantwoording van de vraag of sprake was van opzet dan wel schuld. Het werd door de rechtbank gezien als een belangrijke indicatie gezien voor het ontbreken ervan (r.o. 2.5).

Ook in andere uitspraken van Nederlandse rechters speelt het schenden van de zorgplicht een grote rol in de vraag of sprake is van opzet of schuld bij het toebrengen van lichamelijk letsel door alternatief genezers. Opvallend is dat de rechtbank Groningen in een uitspraak van 21 maart 2013 oordeelde dat sprake was van voorwaardelijk opzet, omdat de zorgplicht geschonden was door de verdachte in die zaak (Rb. Noord-Nederland 21 maart 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ5022). De motivering van de rechtbank Groningen was als volgt:

‘Het is van algemene bekendheid dat bij patiënten met ziekteverschijnselen zoals [slachtoffer] kenbaar voor de verdachte had een aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid bestaat als reguliere medische zorg uitblijft. Ondanks deze wetenschap is verdachte [slachtoffer] blijven adviseren om door te gaan met het plakken van korrels en heeft zij [slachtoffer] niet verwezen naar een reguliere arts. Door aldus te handelen, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans op benadeling van [slachtoffer]s gezondheid aanvaard.´  

(Het onderstreepte deel is de juridische omschrijving van voorwaardelijk opzet).

In het vergelijkbare geval van 15 december wordt door het Hof voorwaardelijk opzet van de hand gewezen. De motivering (r.o. 4.5.6 uitspraak Hof):

Het enkele feit dat [verdachte] had moeten weten van de aanmerkelijke kans dat zwaar lichamelijk letsel zou intreden of de gezondheid benadeeld zou worden is daarvoor onvoldoende. Uit het dossier blijkt genoegzaam dat [verdachte] er vanuit haar gedachtengoed alles aan heeft gedaan [slachtoffer] te genezen van articaïnebeschadiging. Het wilsaspect in de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen als gevolg van een door haar niet behandelde aandoening dan wel dat haar gezondheid daardoor ernstig zou worden benadeeld ontbreekt naar het oordeel van het hof. Van voorwaardelijk opzet is daarom evenmin sprake.

In de uitspraak van de rechtbank Groningen is de redenering dat de verdachte had behoren te weten dat het gevolg zou intreden, ook al heeft deze dat niet gewild. Daardoor komt men tot een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet. In de tweede zaak hierboven lijken de rechtbank en het Hof van het daadwerkelijk willen uit te gaan. Zie in dit verband een annotatie van Schalken bij de hier besproken uitspraak in eerste aanleg.

Volgens Schalken kan het behoren te weten dat het niet gewilde intreedt genoeg zijn om (voorwaardelijk) opzet aan te nemen. Schalken is het dus wat voorwaardelijk opzet betreft eens met de rechtbank Groningen. Volgens Schalken zit de rechtbank Noord-Holland dan ook fout. Het Hof oordeelt oordeelt nu echter anders en laat de redenering van de tweede uitspraak in stand.

Door: Mr. R.M.T. van Berlo

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s